In fase 4 krijgt training een duidelijke richting.
Sporters beschikken over een stevige basis en leren hun ontwikkeling koppelen aan concrete doelstellingen. Ze trainen niet langer alleen om beter te worden, maar ook om persoonlijke ambities te realiseren.
Die doelen kunnen voor iedere sporter anders zijn. Voor de ene sporter gaat het om een persoonlijk record, voor de andere om een sportieve uitdaging, een kwalificatiedoel of een eerste competitieve ambitie. Wat ze gemeen hebben, is dat sporters bewust leren werken naar een doel dat voor hen betekenisvol is.
Sporters ontwikkelen meer zelfsturing en verantwoordelijkheid. Ze leren plannen, voorbereiden, evalueren en bijsturen. Tegelijk leren ze omgaan met succes, teleurstelling en verwachtingen. Prestaties krijgen een grotere plaats, maar blijven onderdeel van een breder ontwikkelingsproces waarin groei en welzijn centraal blijven staan.
De coach ondersteunt sporters bij het formuleren van doelen en helpt hen een traject uit te bouwen dat aansluit bij hun ambities. Daarbij blijft duurzame ontwikkeling en het welzijn van de sporter een belangrijke voorwaarde.